Projectmanagement – Begrippenlijst

Projectmanagement – Begrippenlijst

B

Backward pass
Terugwaartse berekening: starten bij de laatste taak of mijlpaal en achterwaarts door de planning werken om het kortste kritieke pad te bepalen.
Baseline
Het referentiebudget waarmee wordt gemeten of een project op schema ligt en hoe succesvol het project is.
Baseline a budget
Het vastleggen van een vast budgettair referentiepunt om de voortgang van een project mee te vergelijken.
Bottom-up approach
Een aanpak waarbij alle onderdelen van een project van begin tot eind worden geïdentificeerd, inclusief alle kosten, en vervolgens worden opgeteld.
Budget
De geraamde financiële middelen die nodig zijn om de doelstellingen van het project te realiseren.
Budget pre-allocation
Een situatie waarbij het budget wordt vastgelegd vóór de start van het project.
Budget risk
Het risico dat de projectkosten stijgen door slechte planning of scope-uitbreiding.
Buffer
Extra tijd die aan het einde van een taak of project wordt toegevoegd om onvoorziene vertragingen op te vangen.

C

Capacity
De hoeveelheid werk die mensen of middelen binnen een bepaalde periode redelijkerwijs kunnen uitvoeren.
Capacity planning
Het toewijzen van mensen en middelen aan taken en beoordelen of voldoende capaciteit beschikbaar is om het werk tijdig af te ronden.
CAPEX
Kapitaalinvesteringen; uitgaven die worden gedaan om toekomstige voordelen te creëren.
Cash flow
De inkomende en uitgaande geldstromen binnen een project.
Cause-and-effect diagram
Visueel schema dat mogelijke oorzaken van een gebeurtenis of risico toont; ook wel visgraatdiagram genoemd.
Communication
De informatiestroom binnen een project: wat wordt gedeeld, hoe en met wie.
Communication plan
Document dat vastlegt hoe, wanneer en met wie communicatie binnen het project plaatsvindt.
Contingency budget
Budget dat wordt voorzien voor onvoorziene gebeurtenissen die niet in de kostenraming zijn opgenomen.
Contingency reserves
Extra budget toegevoegd om geïdentificeerde risico’s te beheersen.
Cost of quality
Kosten die worden gemaakt om kwaliteitsproblemen in producten, processen of taken te voorkomen.
Cost performance index (CPI)
De verhouding tussen gerealiseerde voortgang en de daadwerkelijk gemaakte kosten.
Cost variance (CV)
Het verschil tussen begrote en werkelijk bestede kosten voor het uitgevoerde werk.
Critical path
De reeks essentiële taken en mijlpalen die bepalen of het project tijdig wordt afgerond.

D

Decision tree
Beslisboom die de mogelijke gevolgen van beslissingen binnen een project visualiseert.
Dependency
Relatie tussen taken waarbij de start of afronding van de ene taak afhankelijk is van de andere.
Dependency graph
Visuele weergave van taakafhankelijkheden binnen een project.
Direct costs
Kosten die rechtstreeks aan het project kunnen worden toegeschreven.

E

Earliest start date
De vroegst mogelijke startdatum van een taak volgens de critical path-methode.
Earned value management (EVM)
Techniek waarbij voortgang en kosten continu worden vergeleken met de planning.
Effort estimation
Inschatting van de hoeveelheid en complexiteit van het werk dat nodig is voor een taak.
Empathy
Het vermogen om zich in te leven in de gedachten en gevoelens van anderen.
Ethical trap
Situatie die iemand kan verleiden tot onethische keuzes.

F

Finish-to-finish (FF)
Afhankelijkheid waarbij de eerste taak moet zijn afgerond voordat de tweede kan worden afgerond.
Finish-to-start (FS)
Afhankelijkheid waarbij de eerste taak moet zijn afgerond voordat de tweede kan starten.
Fishbone diagram
Diagram dat mogelijke oorzaken van een probleem of risico toont; ook oorzaak-gevolgdiagram.
Fixed contract
Contract waarbij betaling plaatsvindt bij het behalen van vastgelegde mijlpalen.
Fixed costs
Kosten die gedurende het project niet veranderen.
Fixed start date
Vastgestelde datum waarop een taak moet beginnen om het doel te halen.
Float
De speling in tijd voordat een taak vertraging veroorzaakt in de projectplanning.
Forecast
Voorspelling of raming van kosten over een bepaalde periode.
Forward pass
Voorwaartse berekening waarbij vanaf het begin naar het einde van het project wordt gewerkt.

G

Gantt chart
Horizontale balkgrafiek die taken, verantwoordelijkheden en deadlines van een project visualiseert.

H

High-level risk
Ernstig risico dat het succes van het project kan beïnvloeden en directe afstemming met stakeholders vereist.

I

Impact
De schade die een risico kan veroorzaken, ingeschaald als hoog, middel of laag.
Indirect costs
Kosten die niet rechtstreeks aan één project zijn toe te wijzen.
Inherent risk
Risico berekend op basis van kans en impact.
Issue
Een bekend en actueel probleem dat de uitvoering van een taak beïnvloedt.

K

Kanban board
Visueel hulpmiddel om taken en workflows te beheren.
Kickback
Corruptiemechanisme waarbij een deel van een contractwaarde wordt terugbetaald aan een beslissingsnemer.
Knowledge management
Het borgen en toegankelijk maken van projectkennis voor toekomstig gebruik.

L

Latest start date
De laatst mogelijke startdatum van een taak zonder het project te vertragen.
Leverage experts
Het inzetten van experts om effectiever te werken.
Low-level risk
Risico met beperkte impact en lage kans, dat mogelijk niet wordt gecommuniceerd.

M

Management reserves
Budgetreserve voor onbekende risico’s.
Medium-level risk
Urgent risico dat waarschijnlijk impact heeft en communicatie vereist.
Milestone
Belangrijk moment in de planning dat voortgang of afronding van een fase aanduidt.

N

Need-to-know basis
Informatie delen uitsluitend met degenen die deze op dat moment nodig hebben.
Network diagram
Visuele voorstelling van taken en hun onderlinge afhankelijkheden.
Non-disclosure agreement (NDA)
Overeenkomst om vertrouwelijke informatie te beschermen.

O

Open-ended question
Vraag die niet met ja of nee kan worden beantwoord.
OPEX
Operationele kosten voor dagelijkse bedrijfsactiviteiten.
Optimism bias
De neiging om negatieve gebeurtenissen te onderschatten.

P

Parallel tasks
Taken die gelijktijdig kunnen worden uitgevoerd.
Personally identifiable information (PII)
Gegevens waarmee een persoon direct kan worden geïdentificeerd.
Planning fallacy
De neiging om tijd, kosten en risico’s te onderschatten.
Planning phase
Fase waarin planning, budget en risicobeheer worden vastgelegd.
Probability and impact matrix
Hulpmiddel om risico’s te prioriteren.
Probability
De kans dat een risico zich voordoet.
Procurement
Het verwerven van goederen en diensten voor het project.
Project budget
De geraamde financiële middelen voor het project.
Project buffer
Extra tijd aan het einde van een project.
Project kick-off meeting
Eerste vergadering waarin doelen, scope en rollen worden afgestemd.
Project management baseline (PMB)
Vast referentiepunt met scope, budget en planning.
Project plan
Document met scope, taken, mijlpalen, middelen en tijdslijnen.
Project task
Activiteit die binnen een bepaalde tijd moet worden uitgevoerd.

R

Reforecast
Herziene budgetraming op basis van actuele voortgang.
Request for proposal (RFP)
Document dat projecteisen en verwachtingen beschrijft.
Reserve analysis
Analyse van resterende projectreserves.
Resource cost rate
Kosten per ingezette resource.
Risk
Mogelijke gebeurtenis die impact kan hebben op het project.
Risk appetite
De mate waarin een organisatie risico’s wil accepteren.
Risk assessment
Het inschatten van kans en impact van risico’s.
Risk management
Proces van identificeren, analyseren en beheersen van risico’s.
Risk management plan
Levend document met risico’s, inschattingen en beheersmaatregelen.
Risk register
Overzicht van alle geïdentificeerde risico’s.
Root cause
De onderliggende oorzaak van een risico of probleem.

S

Schedule
De projecttijdlijn met start-, eind- en tussendata.
Schedule performance index (SPI)
Verhouding tussen gerealiseerde voortgang en geplande voortgang.
Schedule variance (SV)
Verschil tussen geplande en daadwerkelijk uitgevoerde werkzaamheden.
Scope risk
Het risico dat projectresultaten niet overeenkomen met de doelstellingen.
Sequential tasks
Taken die in vaste volgorde moeten worden uitgevoerd.
Single point of failure
Kritisch risico dat het volledige project kan stilleggen.
Slack
Toegestane vertraging zonder impact op de einddatum.
Soft skills
Persoonlijke vaardigheden die samenwerking bevorderen.
Sole-supplier sourcing
Inkoopstrategie waarbij slechts één leverancier wordt toegestaan.
Start-to-finish (SF)
Relatie waarbij een taak moet starten voordat een andere kan worden afgerond.
Start-to-start (SS)
Relatie waarbij een taak moet starten voordat een andere kan beginnen.
Statement of work (SoW)
Document met duidelijke beschrijving van te leveren producten en diensten.
Subtasks
Kleinere taken die samen een grotere taak vormen.
Subject matter expert (SME)
Expert met diepgaande kennis van een specifiek domein.
Summary task
Overkoepelende taak die meerdere subtaken groepeert.

T

Task buffer
Extra tijd voor een specifieke taak.
Time and materials contract
Contract gebaseerd op bestede uren en bijkomende kosten.
Time estimation
Inschatting van de totale benodigde tijd voor een taak.
Time risk
Risico dat taken langer duren dan gepland.
Time-phase a budget
Het spreiden van budgetten over de projectduur.
Total cost of ownership (TCO)
Totale kosten van een project van start tot afronding.

V

Vendors
Leveranciers van goederen en diensten voor het project.

W

Work breakdown structure (WBS)
Hiërarchische opdeling van projecttaken en mijlpalen.